186
stalten? En wist hij nog, hoe erg zij gehuild had bij het ruïneachtige, woest-gelegen kerkhof van Menton; hoe zij huiverend zijn arm gegrepen had? Door de heele Rivièra, verderop, rook het altijd zoo naar mande-rijntjes-zoet en naar citroenen. O, die heerlijke, zorgeloos-laaiende zon, die vreugde-wekker... Maar nog verzotter was zij op het dolle grootestads-geraas. Dat gaf haar verrukkelijke schrikken en angsten soms. Dat geweldige lawaai bedwelmde haar. Heerlijk vond zij het, tegen die vrees te vechten. Zij genoot zalig, als bij den geur van narcissen. Daarom ook dweepte zij met Sarrasani, met al de gedresseerde beesten, met al de vreemde dieren en menschenrassen, al gilde zij om kermis-wansmaak van kleur en licht...
Bob lachte weer onbekommerd. Zij zat op zijn schoot, vrij, wild kind. En haar geurige armen om zijn nek en hoofd. Plots, een stuiptrekking; een ruk; een nieuw plan in Maggie. Zij rekte den hals als een hinde...
— Nee...... Rivièra, ouwe kost!...... Naar Parijs
moesten we gaan, om lol te maken... Oer, Bob, oer... reuze!...
Hij knikte.
— Een flesch panje in een nachtrestaurant... We
vliegen, hè boy?...... We drinken eentje in Caveau
Causasien, entendu?...
— Bon!
— Nee... we zwaaien Boule Blanche binnen... Ik ben dol op Montparnasse... en op die Haïti-nikkers,... net natte kerels... Wat 'n glimmende rakkers... knal!
— Niks meer?... Rue Vavin af!
— Af?
— Entendu!...
— Dan naar ״La magie noire"!... O, die poires in Parijs, die bakkesen op Bal Blomet... Weet je nog Bob, verleden maand?... O, die lekkere brie...