184
trippelaars en verwijfde, zweetende dans-viezerikken. Maggie zelve brandde hartstochtelijk op in den dans. Zij doorleefde het ״exotisme parisien" als een vorm van waanzin, zooals Levenson het in Bubu van Mont-parnasse ontdekte. De perverse verachting van den Yankee voor het zwarte negervee, dat hij navolgt in een sadistische zelfverlaging, voelde zij mee en bracht zij tot uiting in den wellust voor het primitieve gevoel van ras-verschoppelingen. Maggie was uitgelaten van verrukking,, als een vriend van Papa Rozenheim, Des Brouvié, Lebemann en globetrotter, haar vertelde van den ouden Parijschen Moulin Rouge en de danseuses; van het eerste Moulin-Rouge-bal in 1889, op een leeftijd, dat hij nauwelijks kon beseffen, wie Yvette Guil-bert en Max Dearly waren. Yvette... onvergetelijk,
bóven, op de oude ״Butte"...... Yvette, de tartende
duivelin met het vlam-roode haar... Als een wervelend vuur, het laaiende hoofd. Yvette, de charmeuse, de lokster en belachelijkmaakster; grootste en scherpste
menschenkenster, die hij ooit hoorde...... Schelmsche
spotster, wreed speelster met, en ontmaskeraarster van
menschenharten...... Zoo was de conférence, één fijn
slijpsel van flonkerenden geest. Dat was echte humor, echte vernufts-sprankeling. O, Des Brouvié raakte niet uitgesproken over Yvette; alles tintelde en lichtte aan haar, en toch was het net genoeg strak en kort, sober en innig, even een zweem pathetiek, of stil-brandend van verdriet; dan weer tartend, vlijmend, sarcastisch en uitdagend.
O, Des Brouvié dweepte nog met dien ״temple d'une divinité montmartroise adorée par nombre de Parisiens et par des millions d'étrangers"...
Maggie werd heelemaal Bal du Moulin Rouge. Zij trilde van den lach, als hij voordeed hoe toen dansten: La Sauterelle, Nini-Patt'-en-l'air, La Goulue, La Möme Frömage, Grille d'Egout in den Grand Qua