183
bedacht haar eerste felle ruzie, om een kimono-blous je begonnen; een blouse van oranjeglanzig gaas, zoo doorschijnend dat hij zich voor haar schaamde. O
neen, het was om een rose toile blouse geweest......
Denderend!...... Plotselinge stemmings-inkeer bracht
weer verstilling; heimwee naar een vast, onwrikkelijk geluk. Maggie begon zichzelf in het hart te bijten, te verachten; zichzelf te vervloeken in al haar zieke hysterische nukken en grillen. O, zij deed nooit iets liederlijks of zelfs maar wérkelijk-lichtzinnigs. Haar koel-sensueele natuur weerde met scherpen zin, luttelste mannerige verliefdheid, op laf-zoeten buit azend. Zij wisten allen wie Maggie Rozenheim was; een wilde appel. De geringste onkieschheid zou zij onmiddellijk hebben gehoond en gestraft in het openbaar. Alleen in uitdagende woede zweepte, ranselde en flirtte zij. Hunkeren deed Maggie alléén naar Bob's wreed-sterke handen, naar zijn breede borst, zijn gouden kuif, zijn blauwe kinderoogen. Bob bleef altijd bedeesd, altijd beheerscht, altijd eerlijk. Hij wist niet wat zwoelheid was en humeur-teistering. Gezond, rein-hartstochtelijk, open, zoo sprak en ademde hij. Maar zij, misselijke, grinnikende kwast, grillig als een jazz-program, prikkelde, krenkte hem onbeschaamd, oververmetel. Zij, met haar nerveuze aperij! Het was juist zijn recht, jaloersch te zijn op Papa's chauffeur; op Hans, die zich al heel wat verbeeldde. Het was Bob's recht, haar te remmen in haar maniak mode-gedoe: dan één breed gewaaier van linten en strikken, dan strak, kaal en garneeringloos als het jurkje van een schuchtere novice. Het was zijn recht, haar zinnelooze danspassie te hekelen en haar overspannen vereeren van verleidelijke lokkers, gigolo's, slanke, wildvreemde patsers-in-rok. Want al was Bob een marpaud,... deze door-de-wolken-renner vermorzelde tóch allen tezaam met één vuistkneep; heel die fatterige, zoetsappige
Marpaud (Fransch argot): boerenkinkel.