182
stemmetje duizend liefkoozinkjes uit. Zij streelde hem langs zijn goud haar, zijn fijn-geschoren wangen, zijn Engelsch-scherpe kin, en toen zoende zij hem woest, hevig, en sprak als een verwend kind, idioot-knus...
— Bob toüt...... eel toüt...!... Bob dom!...... Bob
gekkie!......
Maggie voelde, dat zij kwaadaardig, zinneloos gehandeld had. Zij vervloekte haar wreeden kwel-aard. Toch mocht dat sentimenteele niet te lang duren. De hagelbui was op hem neergestort, nu de koestering. Maar dan weer,... wég deemoed. Zij blies weer vol, cigaretten-wolkjes uit en keek minachtelijk naar haar borduurwerk. In haar zwarte, even toegeknepen oogen begon weer het sprankelend glanzen als houtskoolpoeder te fonkelen. Zij zou opnieuw alles vijandig ómschateren, hem en haarzelve met verschrikkende keelgeluidjes hinderen. Weer dat havenende en ijskoude tarten, dat duivelsche begeeren, te krenken, te scheuren, te kwellen,... maar nu stuiptrekkend en verzwakt. Goejegod,... zij beheerschte zich en het juichte in Maggie...
Suf zat Bob nog onder haar verterende koesteringen. Hij zag niet, hoe het stormde in Maggie. Zij hield het nekje fier en heel stijf óp in het kraagje, maar hij bleef in de zacht-hevige overrompeling van haar lief-koozing gevangen.
Maggie zat op zijn schoot; begon Bob's haren en gezicht te streelen en terzelvertijd overschouwde zij haar eigen gedrag. Wat was dat schaamtelooze toch in haar? Zij hield zoo onzegbaar veel van den stoeren, athletischen Versteyne; van zijn forsche, mannelijke, diep-gemeende innigheid. Hoe waagde zij dien nobelen jongen, in kriebelige avonturen-drift, als een kwal te trappen en uren lang te haten; te haten omdat hij haar zóó erg liefhad?
Maggie gooide haar vonkend cigaretje weg. Zij