181
lijken eigenwaan, maar onder wreede vroolijkheid, op een voetstuk en wierp er zich dan weer met smakge-raas af. Haar eigen wreede woordenroes bracht haar een gevoels-omneveling, waarin zij zichzelf vaak vér wcgloog van haar diepe, soms snikkende en smachtende liefde voor heel Bob's argelooze wezen. Want zij kreeg juist zoo het land aan Versteyne, wijl zij hem zoo benard liefhad. In stilte snakte zij naar iemand, die het tunnelachtige duister van haar gejaagd, verward, opstandig en bazig binnenste eens wilde doorlichten. Zoodat zij eigen wezentje kon ontstrengelen en al het kromme, dwarse van haar weerbarstige, giftig-krenkende natuur...
Toen zag zij ineen, onbegrijpelijk-droef, Bob's goudblonden kop langzaam op zijn herculische borst inzinken.
Maggie schrok hevig. Hemeltje,...... dat was de
bedoeling nooit, nooit geweest. God, god!
Haar stem brak gedwee. O, die vervlóekt-geëxalteerde, bandelooze buien, die alles in en om haar verschrikten; die ze maar niet kon smoren...
— Bob!...
Zij gilde. Haar jongensstem trilde snerpend-angstig nu. Alle stralende, triumfantelijke jeugd vluchtte haar zijblank gezichtje uit. Neen, neen, zij wou geen pijn
doen. Nooit...... Zij wou hem niet vernederen of
krenken, nooit... nooit! Zij had hem lief, haar heerlijken reuzeboy, dol-dol lief!... Zij was gek-trotsch op hem; op zijn ontembaren moed, zijn geweldige, stille, latent-gehouden kracht, op zijn tartenden durf. God, god, Bob was een held, een blonde held,... haar held! Zelfs Ur hield veel van hem!
Versteyne richtte langzaam het hoofd op en keek Maggie ontroerd, verslagen aan.
Wild, ontzet, razend verliefd en bewogen, sprong Maggie nu weer op zijn schoot; vleide zij met smeek-