180
— Je bent net een wapenrek... Aan welken kant ik
je ook wil aanpakken...... ik heb altijd kans me te
snijden of te prikken...
— Oer!... Oer!... hinnikte schel Maggie's lach. Die onvermomde bekentenis werd haar een onstuimig geluk. In Maggie's tintelend-fantastische ziel ving het spel van haar heerscheressen-natuur allen glans van den rijk-begaafden, oproerigen geest op. Zij voelde zich in het leven door een beangstigend-groot, stalen wentelrad gegrepen, waartusschen zij meedraaide dan in de hoogte, dan weer in de laagte. Zoo was zij nu eenmaal en zoo moest hij haar nemen; haar en haar avontuurlijke schandalen. Zij hield niet van eeuwige thee's, van stijve bals. Dan duizendmaal liever ongegeneerde feestjes, na tennis- of cricket-wedstrijden. Zij begon Bob weer onder te dompelen, te overrompelen in haar al bruisender paradoxen. Zij wou voor Bob alles blindelings over hebben, maar hij moest niet zaniken en in ieder ding haar vrijlaten. En niet doen, alsof hij onder een triest air van zelfverloochening en beleedigde verknochtheid, steeds hoofdgebukt, maar duldde.
Bob idealiseerde haar veel te veel. Hij zag haar veel te mooi! Zij was meestal een echt daemonisch, in zichzelf-verterend stuk zelfzucht en genotzucht, aanstellerig, losbandig-in-schijn en behaagziek als een nukkig-mooie poes. O, zij zou hem wel fel ontgoochelen...
Maggie sprak heftig, scherp, snijdend, spotziek. En dan ineen weer met stemstreelende, theatrale uithaaltjes en over-pathetische toontjes. Zij ratelde door, zonder Versteyne te zien of te hooren. Zij weigerde iedere toenadering. Zij beschuldigde Bob van tyran-nie. Zij sputterde geprikkeld, onverdraagzaam en opzettelijk. Zij plaatste zichzelf telkens met belache-