179
eerlijk zich het wanstaltige, het perverse van haar driest en nietig wezen liet ontglippen. Té absurd!... Dat was heusch geen opblazerij of aanstellerij, of drang, zich erg interessant te willen maken. Zij griende 's nachts tusschen angstdroomen in, meer dan genoeg, om haar venijn en gemeenheid; om haar gehuichelde belangstelling voor dingen waar zij geen snars om gaf, of om haar leuteren over alles, zonder ooit tot een kern in te gaan. Och, zij wou nooit en nimmer haar eigen verdriet bakeren. Zij verachtte smartelingen en smart-koesteraars. Alles duurde toch maar één adempje in het leven; langer niet. Alleen, ze wilde geen band, geen knelling voelen. En koel-kwaadaardig was zij toch nooit, al mousseerde zij onder den lichtsten druk. Maar zij huiverde van hem, als zij er maar even aan twijfelde of hij voor zijn uitverkorene een moord zou durven doen. Of hij voor haar zou durven inbreken, liegen en bedriegen, om te bewijzen, dat hij Maggie Rozenhedm en Maggie alléén liefhad...
Ja, zij erkende nu voluit, dol-razend jaloersch te zijn op iedere charmante vrouw, die hem paaide. Vooral op dat mooie, kille être met het goudrosse kapsel,
onlangs op het Stadion...... Maar zielloos, passieloos.
Toch duldde zij niet, dat Bob op haar jaloersch werd.
— Hè?... schrok Versteyne.
Hij viel weer op de gobelin-sofa neer, geïrriteerd, wanhopig, met de brandende beten van haar verwijten in zijn ziel. Zij schommelde boven hem uit, als op een trapeze...
— Ja, jaloersch zijn... nee, dat is heerlijk, zélfzuch-
tig voor een vrouw...... Maar mij mag je toch niets,
niets verhinderen. Want dan haat,... haat ik je weer!
Bob bestaarde Maggie bezorgd. Zij draaide alles voor zijn oog en om-en-om... Een looping the loop van gedachten en warrelende gevoelens. Even herwon hij zich en glimlachte pijnlijk...