178
slangenbeten. Er begon iets heet-angstigs in hem te kriebelen.
Rauw klonk zijn stem:
— Je kletst, Maggie!
— Nee, ik klets niet... Ik zie al die opgetooide mannequins naar je kijken in het Stadion... naar je oogen, naar je snoet, naar je gouwen kuif, naar je heele lichaam! Ze zijn razend op je!... Ik weet wat ze voelen... Idioot... op jou verliefd... op een luien zak vleesch met been!...
— Maar Maggie!
Zij stampte weer, nu zij stond, vlak voor zijn oogen. Haar hooge jongensstem kreeg een zangerigen, toor-nigen ondertoon:
— Zwijg smuiger!... Ik haat je, ik verafschuw je!...
Bob keek verplet. Hij voelde zich prijsgegeven aan
een brandenden laster.
II.
Maggie werd al woedender, nu die onachterdochtige reuzeboy zoo weinig van haar valsche hunkering naar kwellen en plagen, van haar rukwinden-natuur begreep. Een waarzegster had het haar nog eergisteren voorspeld, dat Versteyne eens door familietrots haar zou beleedigen...
Even zette Maggie zich neer op een bankje; zonk zij ouwelijk in. Moe, droomerig, staarde Maggie met afgewenden blik. Plotseling joeg het weer pijnigend-wild in haar op: die stommerd, die maar niet ontdekte,
hoe lief zij hem, hém alleen had...... Die maar niet
snapte, dat zij hem alleen onder martelende krenkingen, haar liefde kon laten gevoelen. Ze zei het Bob, dat zij hem telkens weer en weer moest afstooten, moést bespotten, moést krenken, juist omdat hij haar tóch overal volgde en lobbesachtig naliep, en zoo naïef-