177
haar lijdelijke houding sprak zij gesmoord-woest, vreemd-zacht:
— Je pésten...
Bob, een oogenblik weer half-geamuseerd:
■— Waarom?
—- Kan me niet bommen... gunstbewijs!... Ik vind 't heerlijk je te hinderen!
Versteyne argeloos:
— En je houdt van me?
Maggie keek even verstild, met afgewenden blik, weer heelemaal zijwaarts, bekorend-kinderlijk. Zij wrong zich half-overeind uit zijn krachtarmen. De ravenglanzige haren liet zij fladderen. Bijna onhoorbaar fluisterde zij:
— Juist daarom!
— 'n Beetje idioot...
— Voor 'n idioot!
— Voor mij?
Maggie gilde gesmoord. Nekgedraaid naar hem ópkijkend, fonkelden haar oogen weer wreed.
— Ik wil je pijn doen... Ik wil je altijd, altijd pijn doen,... pesten, pésten!
Nu schrok Bob hevig. Verbijsterd kreunde zijn stem:
— Ontzettend!
— Mogelijk, maar... maar ik, in mijn drift, in al mijn rustelooze grillen,... ik houd meer, méér, méér van je dan al die andere wijven op de renbaan bij mekaar!
Zij likte even fijn-sensitief het tongpuntje langs het vurig met lippenstift bestreken mondje. Zij wou zich weer versplitsen in praterij, overmoedig, al brandde berouw.
Maar nu duwde Versteyne Maggie ruw van zijn schoot. Wild sprong hij op. Haar woorden waren
12
Mensche iitiarten