176
menschenkracht, dat zij tegelijk haatte en verheerlijkte in een sterken man.
Ook Versteyne speurde in haar wantrouwenden blik nu een wilde plaag-genieting, een, in stilte pervers voorbereiden van krenkende dingen. Hij knelde, ■— zwijgend, glimlachend, de mooie tanden bloot, — speelsch-omzichtig Maggie's armen achterwaarts saam. Zij zonk rank, ruggelings, de haren verkreukt, onder zijn scherphoekige kin weg, tegen zijn bonzende athleten-borst.
Zij kreunde van binnen scheldnamen:
— Reuze-leeghoofd, reuze-windzak!...
Toen neuriede zij, bijna onhoorbaar:
— Le cirque est plein, c'est jour de fête...
Heesch sprak zij, eenmaal machteloos-gemaakt, met
gloeiend-oplichtende oogen in zijn oogen. Geheel afhankelijk en nederig van houding, jurk en beentjes stil afhangend, zei ze plots felle, giftige, overspannen dingen met gedempte driftstem.
Bob ontstelde. Zijn hart werd vol onrust. Neen,... van zoo een meedoogenloos, koel meisje, met zulk een afschuw en wellustigen haat, begreep hij niets. Hij verwarde zich heelemaal in haar ondoorgrondelijk kwel-wezen. Zij leefde alleen haar eigen wil. Straks, nog snaaks, rap, geestig, vol vleierij; nu ineen weer bijtend, dolzinnig, vlijmscherp, fel-hoonend en aldoor dat vreeselijke, snijdende hinniklachje er tusschen. Die wispelturige meid, met haar vliegende schoten!...
— Wat wil je eigenlijk van me?
Maggie bleef ruggelings hangen op zijn borst. De kleine voetjes begonnen uit een popdoode rust onverhoeds zacht te trampelen en zij lachte gesmoord, smadelijk.
Maggie rilde van Versteyne's primitieven eenvoud. Hij maakte Maggie razend, zonder het te merken. In