174
een snerpende spotster, m eedoo g en loos als een beul en krijgszuchtig als een bolsjewieke... Geen twee minuten waren zij bij elkaar, of het wicht schopte of zwiepte er de ruzie tusschen. En wat was zij zelf? Dan preutsch, dan ondelicaat of uitzinnig-vrijpostig en snaaks, overrompelde zij hem met stormachtige liefdesbetuigingen. Dan onverschillig, neerslachtig; dan weer uiterst-ijverzuchtig. Maggie scheen alles wat heftig tegen elkaar opbotste. Rumoer en dreigstilte, onderworpen, nederig, gek-onafhankelijk en opstandig. Maar mooi, mooi als een filmster. Alleen veel te bewust en tartend. Hoe kon hij dat wispelturige kind ooit temmen? Leo Rozenheim leuterde hem steeds iets van ,,de overdracht"... Freud... oppassen voor dokters,... verliefde vrouwen, die hun passie wilden sublimeeren onder mom van ideale, niet-zinnelijke vriendschap...... goudspinsters, mijn waarde!... Bob's flegma brokkelde af. Hij vloekte, stampte op den grond en snapte er geen bal van. Hij was vóór alles kerngezond, sterk sportsman. Het geestelijke leven had alléén bekoring voor hem, als het vastgreep in sport. Hij wist zich alleen in zijn „kist" een hoogvlieger. Als stout piloot ademde hij in de ijlte, terwijl iedere filosofie onder hem wégzonk. Wat was er reiner, dieper van licht dan het azuur? In hem gloeide een Bataafsche oerdrift en een hartstocht zonder grens voor vliegen, rennen. Hij vreesde geen enkel gevaar. Zijn rustige, zelfverzekerde kracht het hem over alles heerschen. Maar hoe hij, ook nu weer, dat lieve schepsel Maggie kouwelijk temmen moest! Plots, in zijn reuzige lengte, sprong Bob op Maggie af, greep haar robuust beet en plakte haar met een athletischen zwaai op zijn schoot.
Maggie zat, keek sip, gebluft. Toen begonnen haar oogen hel van zinneloozen, bijna boosaardigen overlust en woede te gloeien. Dat was haar nog nooit gebeurd. Maggie Rozenheim, de Amerikaansche, door een poot-