170
— Palmengeruisch, mon navet!...
En zij begon, de gloedharen uitfladderend, ״Carmen" te zingen; eerst innemend, toen schalksch-vrijmoedig; eindelijk in een wreeden opwindings-roes, met wild-bezeten stem.
Versteyne keek béte van verrukking. Zoo een lenige gekkin! Maggie ergerde zich dol aan zijn zelfgenoegzaam welbehagen en luttele hoofschheid. Zij trampelde woest met de fijne danseressen-beentjes hoog de lucht in, dat haar goudzijden, korte jurk onvoegzaam opwipte.
Die brave boy begreep nu letterlijk niets, niéts van haar nerveuze, plagende aanstellerij en bewegelijkheid... Of was het een fijn-vrome huichelarij? Zij had hem wijs gemaakt, dat zij echte Assamsche opium kauwde. Die oer-idiote, gedweeë lummel. Hij keek zoo dom als een knippatroon.
Toen Bob Versteyne, robuust en sensueel, verblind en spontaan aangehitst, zijn verloofde zoenen wilde, sprong Maggie vol griezel en afkeer, onstuimig-dreigend overeind en schold hem ,,viezerd"! Ze wou alleen maar Bob, den indringer, fel pijn doen, tarten; nerveus tasten en grillig berekenen, hoelang zij haar ridder-knaap wel krenken en bespotten kon aleer hij uitbarsten zou. Maar het gretigst ontglipte zij zijn zinnelijk-zoet gestoei, om zichzelve vrij te maken van zekere genegenheid voor dien sentimenteelen goeierd. Want Maggie wilde geen slavin zijn van verlangen naar dien athletischen boy, die zoo lief-béte kon kijken. Zij bleef onafhankelijke, Amerikaansche, zoo bandeloos, nukkig, onbeschaamd, sollend, spotziek en opgewonden als zij zelve begeerde te zijn. Zij leefde alleen bij grillige omkanteling van gebeurtenissen. Maggie hongerde eeuwig naar allerlei emoties en ontploffende sensaties. Haar geest fonkelde. Haar antwoorden waren steeds scherp, bijtend, boosaardig van vernufts