168
en vrouw op kantoor. Daar werd idioot veel verhuurd en bloeide een heel-burgerlijke winkelstand. Het ergaparte, het aristocratische schoof meer naar Minerva-en Apolio-laan...
Rebecca zette groote oogen op, alsof zij droomde of luisterde naar Duizend-en-een-Nacht-sprookjes. Hier, in deze wijde plein-stilte, die groote villa-huizen, in dat rijke licht, en alles tuin, tuin, ruimte, boomen en kruingeruisch, alsof zij, de oogen sluitend, zoo in het donker aan zee stond, voelde zij een rust in zich zinken, die haar heelemaal vreemd was in de Zand-dwarsstraat. Daar leefde zij in den heeten, opjagenden roes van marktrumoer, van kinderen-gegil en ge-krijsch. In haar buurt klonk alleen geknars, geronk, geraas van donderende vrachtauto's voor de groote Ijsfabriek ״De Dekker", die de wijk overheerschte. Daar rolde het onweer van de oude stad; overstelpte, verdoofde en verdofte haar... Hier stond zij amper, en zij snoof den geur van een landelijk buiten en ademde diep en zalig lucht, lucht. Hier onderging zij een vreugdeduizeling, naast Uriël, haar bloedeigen neef......
Op zijn kamer, alleen, hoorde Uriël niets anders dan Rebecca's vragende, zacht-schuchtere stem en hij meende in haar droef-goddelijke oogen, heimwee te zien klaren.
Ook de herfstnacht was hem nu een geheimzinnige blijheid geworden...