167
hem angst en geluk. Hij haalde zich plotseling malpathetisch in zijn hoofd, dat zoo iets heerlijks vroeg zou sterven. Hij rilde... Alweer zijn oude melancholie, onder verrukkingen!...
Rebecca's opgewonden praten en in-beminnelijk vragen, zonder overgang en zonder voorbereiding, vurig, vreugdevol of droomerig; verstild, half ontzet of argeloos, bracht hem telkens in verbazing. Alle rijke-lui's-voornaamheid overklauterde zij met los gemak.
Een lantaarnschaduw dompelde een diep-donker avondblauw om haar rankheid heen...
Er ging herfstig en zwaar geruisch door boomen. Electrische lantaarns lichtten kringenvér over het wei-groen van d'Amsterdamsche IJsclub en in de scheemrige ruimte van het plein doemde boven de hel-opgloeiende doorrit, het violet-duister Rijksmuseum-gevaarte op. Rebecca stond hier, in den avond, als in een vreemde stad, dicht bij het Vondelpark, meende zij. Uriël vertelde haar iets van de buurt en van het heele Museumkwartier. Zij hoorde met verbazing, dat hier vele rijke Joden woonden en gewoond hadden. In de Koningslaan bijvoorbeeld een Hereira d'Ancona, een Jonkheer, familie van oom Josua. Steenrijk en dubbelnamig. Hij kwam weieens bij hen thuis; stond op het punt Katholiek te worden. Maar zijn oude, trotsche mama verzette zich nog. Even om den hoek woonde ook een geneesheer Hereira, beroemd professor in huidziekten. Rebecca ontstelde en geneerde zich tegelijk. Waarom haar te verblinden, te beangstigen met al die hooge namen? Zij begreep Uriël niet. Ook zoo, wat bedremmeld-ontstemd, bleef zij aanminnig en kinderlijk.
Uriël, vreemd-spraakzaam, vertelde steeds meer, van de buurt, die vooral naar den kant van Willemsparkweg en Koninginneweg zooveel verminderd was. Daar woonden vele getrouwde paren; man op kantoor