166
menschen? En als zusters en broers nou eens in ruzie uitbarstten, of zij moesten naar bed?
Weer verbaasde zij zich en betastte schielijk de wenkbrauwboogjes... Waar was nu Uriël's Mama? O, naar dié verlangde Rebecca hevig... onzegbaar eigenlijk.
Er klonk een dringende, maar zwaar-getemperde vervoering in haar vraag, waar Uriël's Mama nu was... God, god,... van dit meisje had hij durven denken, dat zij buiten haar kring met niets meeleefde! In haar stem stormde een drift, die zij toch bedwong. Uriël rilde en voelde even een geluksschok. Zou, zou zij van Mama kunnen houden? Weer een bons op zijn hart!
Rebecca begreep niets van zoo een huis, met zooveel trappen en tuinhoeken, met zooveel ruimte en al die achter- en vóór-étages en erkers en balcons en vertrekken boven en naast elkaar. En al dat door-schijnend-gekleurd glas... Iets vooir oom Salomon en voor tante Truddie. Als tante Truddie eenmaal op die trappen praatjes begon met deze, met gene, kwam zij nooit meer boven of beneden...
Rebecca lachte nu zelve schalks, mild-gelukkig...
Zij kon zich niet voorstellen, hoe dat eigenlijk allemaal in, naast en boven elkaar dóórliep. En weer, grenzenloos verbaasd, vroeg zij hakkelend:
— Allemaal voor jullie, voor jullie alléén?... Allemaal, Uriël?...
Uriël lachte zacht, een beetje beschaamd en beklemd.
— En... en... waar is dat... dat huisje voor, daar... nee, daar?...
— De garage.
— O, voor een auto!
Uriël knikte weer en vond Rebecca's naïveteit aanbiddelijk. En hoe mooi was zij. Die schoonheid gaf