163
Uriël lachte in zichzelf, om de kwistige zotheid hiervan. Haar menschelijke eenvoudigheid juist vond Uriël zoo stralend-echt en overbluffend-oorspronke-lijk. Hij kon maar niet begrijpen, dat een zoo mooi meisje, zoo heelemaal vrouwelijk-mooi, zóó alle zelfingenomenheid miste. Hoeveel overrijps, knorrigs, verbloeids al, hadden zijn egoïstische, jonge zusters naast dit argelooze, toch gemoeds-gevoelige schepseltje.
— Uriël,... nee, ik zég niet ״Ur" hoor!...
— Nee?
— Ik vind je naam voluit veel te mooi.
— Kom!
— Net muziek...
Haar zangerige stem zong het woordje: Uriël.
— Nee maar... dat is...
— Heel gewoon. Ik hoor in namen altijd zulke vreemde dingen.
Rebecca streelde zacht de fijne brauwtjes en staarde. Even bleef zij roereloos; schuifelde toen weer aandachtsvol verder. Deze onschuldige, toch verre en droomerige afzwervingen van haar eigen wezen, kende Uriël nu zoo goed al van Rebecca zelve. Het scheen of zij verborgen voorkennis van allerlei toestanden en gebeurtenissen, woordenloos beleefde. Er volgde meestal iets onverwachts op: een bekoorlijk vraagje, een kluchtige bekentenis, een innig verzoek...
Plotseling onderging Uriël een heftigen impuls,......
Rebecca, zooals zij nü naast hem liep, mee naar huis te nemen en tusschen de verwend-nieuwsgierige zusters in te dringen. Rebecca liep zoo verrukkelijk-fier en zij was zoo onbewust mooi. Een koningskind, zoo bleef hij haar zien. En dan, die trotsche bekoring, die plotselinge, bijna wilde kracht en expansie achter het vrouwelijk-weeke, teedere en eenzame. En om haar ranke, soepele lichaam heen die onvatbare, onbe