160
Esther zuchtte en keek schichtig naar haar zoon...
Miles gloriosus, schold Leo.
Ook de kinderen schenen verstild onder de sombere stemming.
Na den maaltijd holde Henri naar de tweede étage, de bibliotheek-rookkamer. Zenuwachtig en opgewonden smakte hij zich in een fauteuil, om snel de Beurs uit kranten op te diepen. Bekkenslagen suisden zijn ooren in... Nervositeit, anders niet! Rozenheim bepeinsde, in martelende tweespalt, hoe zich te redden, te handhaven in dien schellen tijd. Zouden inkrimping en bezuiniging werkelijk iets geven? Alleen het ontslag van wraakgierigen Van Nienhuizen, — den afgemetene, die in de crisis-ellende onverwachts ontlaaide, — zat hem steeds dwarser; bleef hem stikkend benauwen, al poogde Rozenheim zichzelf listiglijk wijs te maken, dat hij er in den grond der zaak geen snars om gaf.
Emmanuel Moro, de oversluwe juwelier, loerde. Hij loerde met zijn valsche glimp-oogen en met zijn haakneus. Moro had Henri gisteravond, — hij zat even na te praten met Maggie in de Heerenkamer, — nog laat opgescheld, alsof de intrigant daemonisch snuffelde, op de brandlucht af, wat er gebeuren ging. Dat leugenachtig stuk vergif lag ten anker. O, die stem, die nasale stem en die wisselend-lichte tijgeroogen
van den veinzer. Het leek een zinsbegoocheling......
In alles verraad, bemanteling, omkooperij, verval-sching, heetè afgunst en liefdeloosheid. Hoe bezat zulk een doortrapt-cynische, hardvochtige kerel nou niéts goeds! Jonas Fontein, de gezegende oude juwelier van de Koningslaan, die beste kenner van den ouden tijd, had altijd wel raak gezien. Emmanuel Moro, met zijn gelitteekenden mond, was en bleef een aasgier, een schurftige grinniker om andermans narigheid; een geluksroover......
Miles gloriosus: grootspreker.