159
current worden. Terwijl er niets te ״beginnen" was en concurrentie alleen kon bestaan, als er te concur-reeren viel! Wat monsterlijke eigenwaan en hoogmoed. Maar toch,... toch was Henri diep-in heel bang voor dezen koelen venijnmensch; voor den stil-dóór-kankerden Jodenhater; vreemd-zwak beangst voor de ijzige afgunst, waarmee Van Nienhuizen zijn ruste-loozen weldoener met wellustige woede zou pogen naar onderen te trappen. Rozenheim's telepathische gevoeligheid tegenover Robert, bedroog hem nooit! Neen, neen, die Van Nienhuizen, in zijn wrokkige manie tot zelfbevestiging, moest, moest weg! Hij kon dien langen, bleeken, schralen gluiper en heimelijken gezagsontwnichter niet meer luchten!
II.
De Rozenheim's zaten aan het avondmaal in de benedenzaal. Henri verstrooid, ontstemd, zwijgend en aandachtloos. Hoe ellendig-verkniesd had hij zijn dag weer doorgebracht! Heel laat was hij opgestaan. Toen tegen elf naar kantoor; gekeuvel, geklets, veel drukte en herrie om niets. Alle kooplui watervrees. Een dutje na de lunch, op zijn privé. Niemand mocht hem storen, 's Middags, na vijf, met juwelier Schrijvers, Fontein,
Siegfried, bridge gespeeld. Iets dols van hem.......
kaarten op den dag! Insultatie tegenover de zaak. Hij had zeker in twintig jaar zoo iets niet gedaan! Waarom geen flinke wandeling door de stad? Nu zat hij weer en straks zou hij Chevalier gaan zien, als lachenden luitenant, met Maggie, Caro en Eg. Maar eerst nog even een zakengesprek met Schrijvers, Kok en Van Maarsen.
Zijn vrouw wilde niet mee naar Tuschinski. Zij verlangde geen afleiding. Ook die was zoo veranderd, na den twist met Uriël.