157
Zink niet zóó diep. Geen ziek bijgeloof alsjeblieft!...
Zoo estrapieëerend kon zich het lot niet wreken... Maar al bleef hij nog zoo hoofsch en voornaam, vreemdelingen verschenen er niet meer. Er nevelde overal somberte om hem heen; in huis en op kantoor zoog een vretende leegte. Zijn dagen gingen grauw van verveling voorbij, alsof hij de dingen achter een klamboe zag. Vroeger beheerschte hij stemming en verwikkeling van gebeuren tusschen fabrikanten, klanten, afnemers, makelaars en in werkgeverskringen. Hij scheen toovenaar in vreeselijke uren van angst en dreiging. Hij, van ijzer en staal, gelijk Van Nienhuizen altijd verklaarde, bezielde, joeg óp met zijn woord. Dood klonk nü zijn stem: dood lag nu zijn inzicht. Hij hinkte als een kreupele klepper. In een verdoovende stilte ademde hij. Rozenheim, in het heete levensgeraas, verzot op effectenhandel en beurszaken, altijd luisterend naar de ״stem" in hem, bleef nu lusteloos, prikkelbaar tasten, dwalen en rondscharrelen, zonder zekerheid. Zijn impulsie en intuïtie kenden vóórdien geen glibberende vrees. Hij wist al de jaren van zijn bestaan niet wat wankeling was. Ze beefden voor zijn besluiten en ervaring, al bespotten enkelen wel eens heimelijk Rozenheim's romantische zakennatuur. Hij won, hij overzag, hij greep, onontkoombaar. Bij crisissen werd Henri het eerst geroepen en zelfs geroemd door felste concurrenten. Nu smeekten velen hem weer om raad, maar hij zweeg, moe, uitgeput, versomberd en beschaamd. Ja, ja, hij was al zijn nuchtere en scherpe klaarheid kwijt; zijn Amerikaansche koelbloedigheid en bijna hoonende reserve. Nu stelde hij angstigen en opgejaagden teleur en zij scholden giftig. Vroeger,... maar het deerdeniet. Hij wrochtte en wrong zich zelfs nog wel boven ijselijke moeilijkheden uit. Maar hoe!... Om te huiveren voor de toekomst.