156
verknaagd van angst, gekweld door sombere gedachten en voorgevoelens, heesch hij zich rechtovereind in ongenaaklijk regioen van zelfbesef; bespotte hij joviaal het oude-mannen-gewauwel van verzuurde klagers en jammeraars, wijl hij openbaring van benauwenis, een weerzinwekkend gebrek aan levenskunst noemde. Tegenover collega's en kooplieden en concurrenten het eerst, bleef Rozenheim onverwoestbaar optimist en kracht-bewust. Hij vocht tegen alle inzinking. Hij vocht tegen slappelingen en broeische verwarring-stichters. Zijn instincten als handelsman verscherpten zich tienvoudig. Aan deze persoonssplitsing was toén zijn stoutste kracht ontsprongen. Tegenwoordig reageerde Rozenheim niet meer op gejank en gejammer van juweliers, koopers en makelaars. Hij liet ze bezwijmen in eigen kommer. Zijn prachtige stem klonk mat, dof, aarzelend. Zijn scherp-hakend vernuft scheen afgestompt. Wat hij vroeger aanraakte, bloeide. Wat hij nu roerde, dorde! Zijn kracht, fijnheid, diepte, was verzwonden. Wat gaf tegenover zulke wereld-teisteringen en tempeesten, goederen-kennis? Wat, zijn kennis van Amerikaansche en Europeesche markt? Zijn energie stolde. Vroeger lukte hem iedere onderneming; de gewaagdste. Tegenwoordig draaide alles op avortement uit; zelfs het zekerste. Zoo aanschouwde hij gepijnd echte machts-verkruimeling.
Nu en dan schoot er plots een ontzettend en onverklaarbaar angstgevoel door hem heen. Hij, geloovend in God's geheimzinnige almacht, begon dralend te peinzen over een soort van straf-van-hoogerhand. En hij dacht beklemd, rillend, aan zijn zuster Judith en met nog wranger afschuw, aan de voorspelling van dat... dat doezelende Portugeesje, dat zwartbaardige, vrome kwebbelaartje uit de Zanddwarsstraat... Neen, neen, gierde het dan met woeste dolheid in hem...