150
ridiculiseeren de gnomen...... Leo, pas terug van
Biarritz, cynisch begoocheld door een filmster, begon zóó in huis, alweer zijn drinkgelagen. Met Leo diepernstig spreken over affaires, bleef onmogelijk! Wanneer Henri iets vroeg, citeerde hij ironisch ,,mengelpoëzie" van vader Cats of grinnikte hij als een harpoenier. Met Esther, die huiverde van al het concreet-gebeurende, nu zij bijna geen gasten meer hoefde te ontvangen en haar „plichtfunctie" mocht verwaar-loozen, evenmin. Kon hij uitspreken met Maggie, Eg, Caro? Hij hield onuitsprekelijk-veel van zijn kinderen. Maar Rozenheim stond in zijn eigen home, temidden van alles, alleen; doodeenzaam. En nu zijn financieele macht, in de afgrijselijke crisis, zoo helsch en schrikwekkend slonk, ook vaak radeloos. Al liet hij er nóg niets van blijken, naar buiten.
Met een uit het gezin zou hij kunnen praten: met Uriël. Maar na zijn optreden aan het feestdiner, het vorige jaar, voelde Henri tegen dien jongen een smartelijken wrok. Die knaap had wroetend-wegge-moffeld berouw, opnieuw in hem hevig aangekorven. Uriël had een gevoel gewekt, alsof de rijke Rozen-heim's de arme Hereira's links lieten liggen en negeerden, wijl zij onvermogenden waren. Ook in deze stille ziel begon iets opstandigs tegen zijn gezag en daden omhoog te klauteren. Een verzet-element, iets wrangs van de na-oorlogsche jeugd. Eigenlijk bij alle kinderen, uit allerlei kringen. Een tartende zelfbewustheid, alsof de ouderen het maatschappelijk bankroet hadden veroorzaakt!... Maar dat Uriël de bijtende wroeging over zijn gedrag tegen Judith, opnieuw in hem zoo snerpend verscherpen kon, maakte Henri woest en ongelukkig.
Neen, hij stond alleen, akelig vreemd-alleen, met al zijn vroeger-verblindende, nu nuttelooze macht; een macht die hem bijwijle martelde, wijl ze hem al dieper