146
scheen de crisis-god, maar kon ook fetichistisch worden aangebeden. Voor Rozenheim ging alles naar Duitschland uit eigenbelang. Inderdaad, deze engel-in-nood had zwaargeaderde, materialistische geef-handen... Henri bekeek al die engelenhulp van den moratorium-heros met sarcastisch-Fransche oogen: heel aardig, edelmoedig, maar zelfs Hoover vraagt hulp aan hulpbehoevenden, voor demping van eigen moeilijkheden. Uncle Sam, die Europa klodderig inzeept met zijn sik!
Zoo versoheen voor Henri de wereldpolitiek en bouwde hij haar verwikkelingen op, in zijn koningsgezind brein en hartstochtelijke geestdrift voor Oranje en de monarchie... Hij vreesde niet, voor stommen conservatief, achterlijken kapitalistenkop te worden uitgescholden door jeugd, kinderen en omgeving. Indien hij, in zijn broeische eigenzinnigheid dan maar ,rouw bleef aan al wat hij liefhad...
De eigen vak-crisis beheerschte echter dwingender Rozenheim's gedachten dan de wereldcrisis. Allereerst het spook Zuid-Afrika, dat telkens opschimde en dreigde, al klaarde het nu wel voor ieder begrijper, dat de Zuid-Afrikaansche slijperijen niet meer konden azen op productie-uitbreiding. Het heimelijke en sluwe voorzien van ruw aan Afrikaansche afnemers, bleef wel het ergerlijkste schandefeit. Lage knoeierijen en woelerige zwendel, bedrog en omkooperijen, bij ambtenaren, door de Zuid-Afrikaansche republiek in de hand gewerkt, kon je zien gebeuren. Natuurlijk, hij vermocht geen vaste gegevens hieromtrent te bemachtigen. Maar het Zuid-Afrikaansche Regeerings-verkoopbureau bevoorrechtte zoo verbijsterend zekere groepen van afnemers, dat de gansche wereld-diamanthandel erdoor bedreigd stond. Uit alle hoeken klonken stemmen er tegen! En toch was met groote geslepen