145
zijn eentje lachen. Dat was het meest-verdwaasde menschelijke comediespel; Europeesche politiek! Dat was ernst en boert, gebrouwen door den Tijd zelf. Daar werd tragiek tot klucht omgeschapen en klucht weer tot drama. In Genève sloeg de alarmklok, de groote alarmklok, die net zoo goed vrede als oorlog kon verkonden, met of zonder Amerika's medewerking in den Volkenbondsraad. Met heftigen weerzin en levenswoede overdacht Rozenheim, dat heel de sociale wereld vaneengereten, omgewoeld, in stukken gescheurd lag door het krankzinnig drijven van politici, communisten en socialisten. Het leek hem al lood om oud ijzer. De proletariër werd niet alléén bedreigd, vertrapt; ook de bezitter. Henri koesterde nu eenmaal geen enkele politieke ambitie voor eigen persoon en faam. Maar daarom voelde hij wel het vernuftsschaakspel der diplomaten over de geheele wereld. Naar zijn gevoelen brachten deze vermomde satyrs alleen rampzaligheid over samenleving en individuen. Zij reconstrueerden niets. Zij waren doode beweegkrachten, hoe tegenstrijdig ״dood" en „bewegen" ook klonk. De blazerige welsprekendheid van partij-fanatisten verachtte Rozenheim al intenser. Hij zelf kon geestdriftig ontroeren onder het zien verrichten van groote daden. En zijn heele economische studie van Amerika, van Nieuwe en Oude Wereld, stond gespitst en gespannen op heroïsdhe actie. Maar hij ontwaarde slechts grove hebzucht van stompzinnige speculanten, onder alle standen en rangen. Rozenheim haatte geweldshandeLingen, oproer en moord. Hij zou weieens, hoffelijk en toch zonder strijkages, zijn wankelloos krukje willen plaatsen naast den ingeheiden zetel van den Duitschen Rijkskanselier. Een portefeuille van Economische Zaken lokte, ook zonder politieke ambitie. Hoover, ja Hoover speelde voor Henri Ameri-kaansch Onze-Lieve-Heer-van-financiën. Hoover
10
Menaehenharten■