142
zijn onwrikkelijk individualisme brokkelde weg. Rozenheim verslapte in handelsenergie, in moedsdaden. Alle naar onder gedrukte benauwenissen v/oelden naakt in het licht. Ook valsche drang naar initiatief. Voor den scherpsten en insnijdendsten geest viel niets meer aan te kerven. Alles ontstond nog uit oorlogs-ontwrichting en dolle schommelingen naar uitersten. Het scheen niet meer dreiging, heimelijke vernietiging; er was alreeds ondergang, afsterving. Hier kon geen markt meer gered, geen paniek meer opgeheven worden door stoute beurs-manoeuvres, door instinctief inzicht op grillig affaire-verloop, door vermetel tegen beperking en wégbrokkeling in te gaan. De geheele maatschappelijke structuur brandmerkte genadeloos ieder idealisme als voos hoopgevoel, aan zelfzuchtige verbeeldingskracht ontsproten. Hij kon nog wel voor een poosje rondzwalken op zijn ״spaarpenningen", maar de ontzaglijke stock en rente-credieten slurpten schier een heel fortuin op. De gansche industrie lag op apegapen, te stuiptrekken, ondanks een ademtocht je schijnleven op de geslepen-markt. De wereld-crisis bracht op alle gebieden ont-wriahting en ontreddering. Rozenheim vreesde geen idioot-lagen rente-standaard, geen ergerlijke verlaging van groothandelprijzen op zichzelve. Deflatie was het diepere invreten van alle crisis eigen. Maar hij sidderde voor den algeheelen wereld-ondergang, de algehééle ontreddering.
Europa smeulde in een vurigen aschnevel. Het Engelsche pond onttroond! Inflatie van het Pond Sterling! Ongeloofbaar... Wéér een moordslag voor prijs van het geslepen,... bij zulke verdrinkende koersen. Tenzij ׳het Afrikaansche pond door de Afrikaansche regeering op peil gehouden en in den val van het Engelsche pond niet meegesleurd werd. Maar ook dan bleef er toch wereldramp op wereldramp! Allereerst,