138
eerlijk in zijn luttelste handeltje. Josua klaagde ook nooit over onspoed. Josua dacht altijd: men mag een arm mensch niet laten vragen, of je speelt den duivel aan de ketting. En Sallie jammerde eeuwig over zijn
gezondheid...... Werachtereschrot, Sallie mos maar
weer es 'n gommesj in ze jatte neme, al was er geen sikkepit licht om te lezen, in dat vervloekte slop van hem. Was hij toendertijd maar in de Warmoesstraat gebleven, op de Heerengracht-zonder-boomen; zou hij ook veel beter af geweest zijn!
Meewarig kuchend en beverig, vertelde Sallie dat hij eergisterennacht bloed gespogen had. Vreezelijk!... Zijn vogeloogen sperden wild. Heesch gromde hij:
— Jaumom wolayloo... angst!... Angst!... Ze hebben 't me voorspeld op 't Snoekiesgrachie!... 'n Jode vrouwtje... Saartje... Saartje Krom...
Vijf jaar lang was hij er, met God's hulp, vrij van
gebleven. Vijf, vijf jaren! Imaginée vous...... vijf
jaar!... Nou, patsj, inééne een straal, een golf en nog een zwarte golf, patsj... En dan... dat vreezelijke, lauwe zoete bloed, dat je als proeft van jezelf!...
Josua kuchte benauwd. Er sprong jeuk over zijn heele lichaam. Sallie jammerde:
— Geregeld om te stikke van benauwheid!......
Zóó'n róóje plas. Kei sof!...... De poorser mos mijn
maar zoute... bin ik nog koosjer vóór me dood!... Noh, al mijn sonnem toegewenscht!...
Noh... hij sappelde zich toch ook blind voor vrouw en kind, dag en nacht geregeld! Al liet ie zich op de Ouwe Schans, 's Zondagsmorgens niet fotografeeren op een tuf-tuf! Joodjes en Christenen, met heele familiestaarten!... En dat je premie!... Soms zelfs, peesde hij op Hooge Feestdagen. En altijd die lucht
Heerengracht-zonder-boomen: bijnaam van de vroegere Goudsbloemgracht, het latere Fransepad. — Jaumom wolayloo: dag en nacht. — Poorsjer: slagersbediende. die het vleesch ״koosjer" maakt. — Sonnem: vijanden, — Peezen: zwaar werken, — Sof: ellende.