137
fiche...... as-ik-je-zeg!...... Je heib doch niks te four-
neere!... Voor jou heb ik andere schoure...
Sallie had voor Josua een ״voordeelig" handeltje, een armzalig negotietje uit wat kleurige marktvodden opgeduikeld...
— Eigelijk op de dal,... 'n mitsieje!... Maar hóór je mijn, Jozewa?... Ikke heb d'r kipoh an, hoor je mijn?... Jij ken alleen van brood leve... ikke nie! Ikke hou van wat d'r op!...
Sallie's starre vogeloogen loerden stekelig-strak naar Rebecca en doelloos naar de grijze vaasjes op het mahoniehouten kastje.
Zij schrok.
Het antiquairtje Blik gaf geen kik. Rebecca poogde gejaagd te gissen... Zou Sallie haar met Uriël ergens gesnapt hebben? lederen dag verwachtte zij, dat een buurtgenoot vader met het nieuws zou overrompelen.
Verbeelding? Neen, neen...... Sallie Blik bleef haar
stug-hoogmoedig, hatelijk, bijna dreigend opnemen. Hij rook weer sterk, zoetig-muf naar cichorei en er was, — zooals vroeger, — geen aasje snaaksche blijheid meer op zijn gezicht te zien, wanneer hij zichzelf een mallen jobber noemde... Vroeger dolde het antiquairtje uit de Onkelboerensteeg altijd met haar „praehkrulle" en haar „goysche lengte" en dat zij 's avonds nooit de doodkistenmakerij in de Joden Houttuinen moest langs gaan... bracht een knap meisje altijd ongeluk... Nu... graf stil.
Rebecca, angstig voor zijn ernst, rilde en vluchtte het keukentje in. Natuurlijk,... hij had haar ׳ergens gezien met Uriël...
Rebecca's satijnen wangetjes verbleekten. Zij hoorde hem met vader stemme-gedempt praten. Op zijn manier hield de sluwe, scherp-inhalige zwendelaar Sallie Blik van doodeerlijken, naïeven Josua; dood.-j—
Schoure: handelswaar. — Op de dal: afgebedeld! — Mitsieje: buitenkansje, koopje. — Kipoh: deel in de winst hebben. — Jobber: speculant.