134
Toen een voor een, de jongens naar boven renden en zóó van de keien, hun vlieringtrapje opklauterden, ging ook Rebecca naar haar hokje; snikte zij, gesmoord en verbeten in het kussen, dat vader Josua haar maar niet zou hooren huilen. Mocht zij Uriël offeren aan vader's dwangwil? Waarom zoo verborgen? Waarom zulk alles-verdringend, toornig wrok-gevoel, die al duisterder haat van Hereira's tegen Rozenheim's? Maar zij, in ieder geval, beloog haar bloedeigen, vromen vader, sluw en onbeschaamd. Zij, zij juist wist, beter dan wie ook, dat Josua Hereira zonder innerlijke waarheidsliefde niet leven kon! Josua vreesde God en Goddelijke gerechtigheid in alles. Daarom begeerde hij de waarheid altijd lief te hebben, onder welke schrikkelijke levensschokken ook en al bracht ze hem niets dan verkommering...
,,Niemand is als onze Eeuwige, niemand is als onze Koning, niemand is als onze Helper!"... Zoo klonk zijn Sabbat-morgengebed, tot Tsebaoth, in stil heimwee naar Jeruzalem, onder het gezicht van goddelijke schriftteekenen! En zij, zijn „gebenschte jongste", zij, lafhartige, bedroog aldoor schennender...
Neen, zij kon haar smartelijke onrust niet meer baas; niet meer verdringen. Er moést iets gebeuren. Angstkramp greep Rebecca telkens weer bij de gedachte, dat zij hém, haar ingekeerd vadertje, zoo laf misleidde en zijn verder leven zou gaan vergallen... Daden moesten gedaan worden... Een prop zwol haar de keel in, want zijzelve durfde niet. Zij hoorde weer Josua's mageren knuist, in driftkramp, steenhard op de tafel neerbonken,... zooals toén tegen de jongens. Ontzettend verwrong dan vader's zacht gezicht. Om van te rillen... Neen, zijzelve durfde niets te vertellen!
Een week later kwam Sallie Blik oploopen. Hij raasde heftig en schimpte op de moddervuile huizen-