133
koren was in plaats van... van dien Rozenheim?... Als Rebbe Herschel boos... nu eens... Neen, neen, zoo mocht zij niiet deniken...
Josua's oogen glansden suizelend vanavond, in vreemden gloed. Hij zag Rebecca nóg niet. Eenmaal zoo verzonken in het Verhevene, liet hij zegen en vloek over zich heengaan; bukte hij alleen het hoofd voor God's Almacht en Rechtvaardigheid,... voor den Eeuwige, die altijd naar den zoekenden mensch omlaag kwam.
Rebecca Het den bruinbaardigen Galliciër, — ״de frotte mesjokkene Pollek", schold Sem onveranderlijk, — langzaam uit. Zijn schrale lichaam kromde in de zwartgekleede jas. Igmaniz keek schuw, hulpbehoevend, bedeesd, liefde-hunkerend; stamelde weer wat verlegens.
Maar Rebecca, pas van Uriël, nog omzongen van zijn stem en doortinteld van zijn innigheid, kon geen verontschuldigend woord uitbrengen. Igmaniz' groote, zeegroene stuiteroogen lichtten onrustig. Hij poogde Rebecca met zijn schichtigen zieleblik te omspannen. Maar zijn kracht brokkelde af op haar pijnigend-onverschillige beleefdheid.
Igmaniz' beenig, geelbleek gelaat verwrong van verdriet en zijn gesluierde stem beefde...
Eindelijk stapte ook Itsek, het beverig zuurventertje op. Zijn asthma-borst kreunde, piepte en hijgde. Maar hij hoorde alléén de heilige lofzeggingen van Josua en wist verder niets meer; van kwaal noch narigheid.
Oom Salomon volgde hem achter het gekromde ruggetje op de hielen; frutselde zijn bakkebaardjes speelsch saam en pruttelde iets van: kassie kabalie, zooveel als ״peliezie" is nooit-nie te vertrouwe! Adde-proï... As je maar in de geur staant... As je maar springt van 't poen... As je maar rooje ruggetjes kon wissele, versta wél!...
Pollek: Oost-Jood.