132
— Ik zeg an je... we gane nog allemaal bedele... Niemand houdt meer 'n cent over... Sjnorren gane we allemaal!...
Oom Salomon galmde ironisch:
— Allemaal sjnorre?... Bij wié?
Rebecca ontwaarde in Josua's hei-lichten blik een heilige vervoering, gelijk er vroeger in gloeide, wanneer het Zuiderkerk-orgel opzong, of als vader pas van het armelijke Gewre-s joelt je nabij de ,,Rooje Leeuwengang" op Marken, was teruggekeerd.
Josua groette, maar zag Rebecca nauwelijks. De groeven om zijn neus diepten als schaduwgleuven. Verheerlijkt staarde hij, met een blos op het bleek -magere gelaat naar Itsek en Salomon. Zijn tengere linkerhand kraste fijn in het fluweel-kroezig ringbaardje. Josua leefde in vreê zoo. Goejegod!... Nu knaagde en knauwde het nog pijnigender in Rebecca. Hoe zou zij ooit den wreeden moed krijgen, vader te vertellen van Uriël en van haarzelve? Rebbe Herschel durfde te weigeren. Er had zelfs scherpe gekrenktheid in zijn stem geklonken, toen hij korzelig-gejaagd Rebecca's verzoek, voorspraak bij vader te zullen zijn, afwees...
— Behoor ik dan tot de Jegidei seguloh?...... had
Rebbe Herschel er wrevelig uitgestooten.
Dat zou zij nooit van dien menschenvriend, dien zachtaard met den blinkenden bril, geloofd hebben. Zoo een gesjiewes, ineen, zoo menschelijk-ontstemd en kregel? Zelfs het fel-glinsterende kristal van Rebbe's bril scheen mee te protesteeren. De diep-donkere deernis-oogen er achter, keken nü hard en streng. En er schoot weer een hevige zenuwbeving door zijn linkerbeen. Rebecca ontstelde. Waar was nu Rebbe Herschel's Tsedaka?... Kon het wezen, omdat Igmaniz, zijn liefste leerling, niet door haar uitver-
Gewre-sjoeltje: Synagoge eener vrome vereeniging. — Jegidei seguloh: Haantje de voorsten. — Tsedaka: hier menschlievendheid.