130
stelde moraal, ethisch- of ascetisch-verkregen beginselen. Zoo, in de diepte van zijn ziel, hongerde hij naar dit reine liefdegeluk.
Uriël vonniste nooit andere verhoudingen. Hij beoordeelde zelden andere gestellen, temperamenten, die hun eigen bevredigingsdrang zochten en volgden. Voor zijn persoonlijk bestaan echter, was een volkomen eenheid in alles, tusschen man en vrouw alléén heilig. Naar Piet Dijkstra met de roode koetsierssnor, luisterde Uriël altijd graag. Want Uriël kon niet loochenen, dat onder de meesten van zijn studievrienden en collega's, zóó over libido en zinnelijkheid gesproken werd. Zelfs door den aristocratischen, charmeerenden Tillema Lubbers, die in zijn vrij leven zich tegenover vrouwen alles veroorloofde. Daarom had hij Lubbers, van Rebecca geen woord gerept. Zou deze kerel met vlijm cynisme, een lollig scharrelpartijtje hebben genoemd. Alleen Dogger, den fijnen taster van innerlijkheid, waagde Uriël iets te vertellen van zijn saamzijn met Rebecca. Maar tot nu toe had hij geen behoefte gevoeld, behalve met Papa, ook uit noodzaak, er met iemand één syllabe over te spreken. Nog minder van zijn opvattingen...
Dat zingend-zalige verlangen, dat eeuwig-één-zijn, in geest en zinnen, met Rebecca, had hem aan zijn nicht gekluisterd en Uriël wist nü reeds, dat hij voor altijd van haar zou zijn. Ook, dat hij Rebecca nooit zou opgeven, noch onder Hereira's haat, gelofte, wrok, noch onder Rozenheim's verzet en gevoel van onttroning....... wat er ook met hun tweeën gebeuren
ging......
III.
Toen Rebecca kaarsrecht instapte, zat Josua met Igmaniz en oom Salomon, en een oud, beverig zuur-ventertje uit de Markensteeg, nog zacht na te praten