125
moest het vader Josua vertellen. Hijzelf zou 'het Mama en dan papa Rozenheim zeggen. Uriël was heelemaal geen held, maar ook niet bang voor een boeman... Hij ontroerde wel diep van groote daden en verloocheningen, maar zélf bleef hij slap, droomerig, aarzelend. Rebecca mocht hem niet einders zien dan zóó. Maar nu, in dit geval, zou hij doortasten; koen.
Rebecca zweeg, sidderde en verbleekte. Zij was vader's ״gebenschte jongste"! Hij bestaarde haar als een schoon-getooiden Thoramantel. Och...... wat begreep Uriël van Rebecca's geheel-behóóren-bij-Josua! Haar vader liep zelf altijd in een doezeldroom over al het geschapene en ongeschapene... Maar zij was het allereenige, dat hij van Judith bezat en gek-gelukkig koesterde. Rebecca, zijn gebenschte Rebecca, dacht hij, kon niet door een ander wéggerukt. Zij bleef zijn harte-eigendom! Josua zou, onder het geroezemoes van praatjes, zinsverbijsterd in elkaar zakken als hij hoorde
van Uriël! Neen,...... zij, in haar onuitsprekelijken
vader-eerbied, durfde er niet van reppen. Josua rilde nog altijd weerbarstig, vol afschuw van de Rozen-heims. Telkens hoorde Rebecca het kreunen van zijn vloek... ״ik val liever voor je voeten morsdood, dan dat ik ooit meer een cent van jou anneem"... Dat had haar vader Josua huilend Rozenheim toegekreten. Nog, iederen keer, raasde hij zinneloos los, zoodra de jongens oom Henri's naam slechts éven noemden. Dan werd zijn zwakke, beverige arm een houweel...
Uriël sprak dien avond weinig, maar hij leefde ongestoord in Rebecca's oogendroom. Dit meisje ademde zoo zuiver.
Zij had haar angstige, soms grievende schuwheid tegenover Uriël heelemaal verloren. Zij, thuis en eigenlijk overal stil en ingetoomd, keuvelde nu heer-
Gebenscht: gezegend.