124
zijn drang naar waarachtigheid. Vroeger leefde er een beetje gelijk-geaarde Joodschheid in vader en zoon, dacht hij. Nu zag Uriël Papa's vermomde en vermoorde innerlijk zich vertoonen, zonder schijn-held-haftigheid en ideaal-dekmantel. Alleen vanavond, tusschen de gasten, keerde Henri's oude, ciexlijk-rhetorische spraakzaamheid terug. Rozenheim's stem klonk weer vol, lokkend, gedistingeerd, aristocratisch; trilde bijwijlen als een zoete vioolstreek. Hij bukte weer hoffelijk en beminlijk naar zijn schrandere Franschen en plomp-zelfverzekerde Amerikanen in, en Papa scheen heelemaal óp te leven.
In den blauw-duisteren herfst-avond, ontmoette Uriël vlug-stappende Rebecca. Lantaarnschijnsel schoot een blosrood kransje licht om het zoele kopje en over het kastanjevonkige haar. De gracht lei heel stil onder huiverend boomenlommer. Het water spiegelde stiller, donkerder en ouder, de dingen. Langs den wal, geritsel.
Uriël's stem beefde...
— Rebecca!
— Uriël!
Driftig verklonken stem in stem.
Zij hadden zich eenige maanden geleden over alles uitgesproken; in verrukking en verdriet. Uriël wist Rebecca's afschuw van Papa's gedrag tegen haar moeder en haar vader te temperen. Hij wist iets in haar afgrijzen te stillen en te overtuigen, dat zulk een haat en wrok niet op kinderen van weerszij de ouders mocht overgaan. Dat zou wreed, dom en nóg erger, nóg onmenschelijker zijn dan de voorbije daad van Papa...
Zij verlangden elkaar vurig, bóven iederen twist en alle bedreigingen van de vaders. Uriël wilde niet langer meer Papa, Mama en oom Hereira bedriegen. Zij