122
het blinken van kajuiten en klaarwitte dekken, plots uitgedoofd in schaduwvaalte. Hier ontwaarde Uriël weer het licht, dat alles greep en in een wond erg Ioed doorhelderde, of geronnen, in goud-violette schaduw-vluchten, in rook, mist en stoom onderdompelde. Linkscher nog, dromden aan den oever donkere botters met opgehangen netten, zoemerige weefsels en flarden, tusschen bronsglanzige masten en vermiljoenbaaien borstrokken. En heel ver naar rechts, ״Maatschappij Nederland", overkoepeld door een ontzachlijke ludit, die de drie ״Meteorologisch Instituut"-torentjes van boven af verpletterde onder wolkgevaarten, en van onder liet aanvreten door dartel, zonmefonkelend Y-vuur. Kapiteinsbruggen stonden bestookt als gloei booglampen en schijnwerpers. Achter smookmist doemden, tusschen grillige steenmassa's, scheepsrompen als fantomen; tengere tjalken, loodsen en kraansnavels. Pijpen dampten en toeterden gelijk droeve roepstemmen; jachtende motorbooten hamerden, en ineen plofte een dol sisgeraas uit; monsters, die eikaars electrischen adem inzogen.
Het Y, zoo in Octoberzon, bracht Uriël ruimtegeluk en diep vertrouwen in alle gebeuren. Onwillig slenterde hij verder. Een monsterlijk-logge, duivelroode motorbus met klomp-gelen band, ronkte van een hooge kadebocht op hem af. Uriël ontstelde en sprong rap
opzij...... Sufkop! Hij kon niet eens meer rustig de
verward-woelige binnenstad doorzwerven.
II.
Tegen het avondeten begonnen nerveus verlangen en onrust Uriël te kwellen. Hij hield het hier niet meer uit. Het vleiende kletskeuvelen van drie Fransche, en het aartsdomme absolutisme van twee Amerikaansche