118
Wat hij te schrijven had, zou wel elders een onderdak vinden.
Stemmen schoten door elkaar. Tillema luisterde niet meer, keerde zich snel om en tuurde door de hooge ramen, het stille Museumplein over, waar, in enkele gevel-wingerdranken, al bleek-rood de herfst zacht te pralen hing.
Weer klonk er gesmoord gezang, traag, als zwaar vlieggezoem. Brak toen ineen af...
Bij kleine groepjes vertrokken de gasten.
Driest viel Uriël uit:
— Sallie Blik komt niet.
Tillema, verbaasd, sperde de groene oogen; keek in het luchtruim naar een langzaam-smeltende, meeuw-witte wolk; plakte de natte haarglimsels...
— Goddamn... jammer! Waarom niet?...
— Weet niet... Hij liet af-telefoneeren.
— Wat een zeekoe!... gromde Tillema verstoord.