116
Uriël sprak bezield, buiten, boven zichzelf uit. Hij had zijn schichtige en onrustige bleuheid afgelegd, zijn sdiroom en weifel verdrongen. Hij liet er zich niet meer door overluifelen en schuw verstillen. Hij was weer Sephardische Jood, Spaansche aristocraat, droomrige Oosterling, die het melancholiscii-tragische in eigen wezen meebracht, als een stervende zomeravond de stilte.
De fijne, witte handen gingen schokkend-nerveus en grimmig door de zwarte haren, Uriël ademde zwaar. Maar het scherpe woord, dat trilde van leven, brak zijn drift; klonk bijwijle als een extatische kreet. De gasten voelden, dat er iets irmerlijk-waarachtigs
gebeurde...... Weer, als toen, als verdediger van
moeder's natie tegen Henri's genadeloozen schimp, barstte Uriël los. Zijn stem trilde ontroerd, gesmoord en triest.
Zoo, in den studenten- en kunstenaars-kring, sprak er niet één. Geen zweem van valsch-meesleepende rederijkerij. Eêr wat nerveus-stuwend en afbrokkelend uitstooten van zielsstemmingen en van innerlijk ervaren. Uriël schold niet tyrannisch, wierp geen blaam, bestreed alleen, verbitterd, uit een felle bewogenheid en spanning. Uriël keek naar zijn eigen onbewuste, nü ontfloerste wezen verbaasd op, dat hij dit alles zoo maar eruit waagde te gooien en Uriël hoorde in vreemde verwondering zijn eigen natrillende stem.
Zelfs snaaksche Hoeyendos, welsprekendheids-ensceneur, verzot op tooneel-effecten, staarde verbluft naar Rozenheim. Jonge, wat een vreemd-verborgen vuur in dien wrang-gekwetsten kerel. Diens magnifi-centie en autonome kracht had hij toch schroomlijk onderschat. Toch heel wat echter dan de amokmaker Van Haaf ten...
Al strakker, al bleeker trok Uriël's fijne gezicht; de