115
dolhuisje-spelen op eigen houtje en al naar eigen behoefte, zich aan traditie pogen te ontwortelen. Als hij de aaks maar niet in een andermans voet slingerde. Dit ging niet tegen amice Dijkstra, in wien Uriël zeer veel waardeerde, al begon het hem soms raar te schemeren bij al te Freudiaansche droomsymboliekuitleggingen, — broer Meester Leo in een lachspiegel, — en al had Uriël over natuurmensch, animistisch heidendom en cultuurmensch geheel afwijkende gedachten. Tegenover tallooze dingen en problemen stond Uriël echter volslagen onbevoegd. Daarom zweeg hij. Geestelijke hygiëne, mechanische aesthetiek en neo-dadaïsme hadden zichzelf al gevonnist en gewurgd. Maar alles wat zijn onmiddellijkste, diepste overtuiging raakte, dat liet Uriël niet kervend en slachtend, zoo maar onder hoongelach aan stukken scheuren door giergrove klauwen. Dan voelde hij in zich groeien een brandende klaarheid en scherpe exactheid. Hij eischte eerbied voor ware religieuze karakters, die ver boven een natuurlijke werkelijkheid van geloof en bijgeloof uit leefden. Er was en bestond een onaanrandbare, innerlijke vroomheid, hoe zeldzaam en verbijsterend ook...... Och, dat wisten de
grootsprakige schimpers zelf wel, maar hun meeningen kronkelden zoo aalachtig in hen rond! Uriël kende het bestaan van diep-devote menschen, die hun begeerte naar aardschen welstand verjoegen en zich daarmee van alle instincten-dwingelandij verlosten. Menschen, niet te knakken door ellende en spot. Al werden religie en gods-ernst bezwadderd, besmeurd met zoogenaamde wetenschappelijkheid en treurige verdachtmakingen, zij leefden in zekere wezens onuitroeibaar. Deze schepselen voelden het voortruischen van de eeuwigheid in alle tijdelijke aardsche dingen en hun visioenen waren onmiddellijke openbaringen van het oneindige...