VI.
113
Hoeyendos was weer binnengezwaaid. Dadelijk werd de guitig-geestige jurist omringd ׳door een dringend onheils-troepje, dat de halzen kromde en rekte, als jonge casuarissen. Hoeyendos' spiritueel gezicht glimlachte weer in stralende beminnelijkheid. Hij vond het toch wel een dol-gezellige pan hier; eigenlijk gezelliger dan de oudejaars-kroegjool. Een tropisch tuintje van oververhitte meeningen. Alleen de schakelborden-afrukkers werkten belabberd en destructief. Zijn lenige en snedige eloquentie begon speelsch en rad, sngl en vernuftig op te schuimen en groteske spotprentjes te teekenen; malle satiren op Colleges en Profs, op Corps-leden en Corps-lustrum, op academische studie, op Unitassers, knorvarkens, nihilisten en allerlei ״clubstront". Hij hoonde fijntjes, onder toespelingen, dictatenleeners, jeukerige klap-loopers en hoogvliegers met gefnuikte vlerken. Onder grilligen slingerslag van zijn hekelend-ironisch woord, trof hij aanwezigen en afwezigen. Hij persifleerde ook nu weer Van Haaften's zoogenaamde vergeestelijkte vormstelling en het phainomenum van 's mans reeds kalend kruintje. Zonder overgang parodieerde hij nu ook Goethe in het Gartenhaus, keuvelend met kers-versche Christiaantje Vulpius, maar zoo, dat zij er onmiddellijk een bekend tijdgenoot in herkenden.
Snaaksch-charmante Hoeyendos durfde hoogste
reputaties aanranden...... met beminlijkheid. Het
menschelijke geslacht, had Kamnitzer hem geleerd, heeft een natuurlijk verlangen naar mythe. Hij zou als groene moralist dat begeeren bevestigen en zelfs een Flanor met buikloop en bleek-verwrongen snuit adopteeren op den Dies Natalis van het A. S. C.
Er knalden opnieuw kwinkslagen en gegier uit alle hoeken op, over malle ploerterij en gespierde boys
Menschenharten. 8