111
opdoken: knetteraars, ontploffers, loeiers, piepers, klokkers... Donderend schelden, in alcoholische opwinding,... hè, het brandde in het wild-stroomende bloed, het opruiende, na-oorlogsche rebellen-bloed. Het was schaamteloos genot geweest, zulk een ontladend en uitstormend onweer, dat loodwolkerige luchten schoonveeg de en verrukkelijke koelte bracht. Theoretische voorgangers noemden zooiets, scheppende agitatie en mild spontaneïsme...
Ook Tillema behoorde toen tot de schrikaanjagende avant-garde, die in wilde woeling en golving, alle voelen en verbeelden van ouderen begeerde te overstijgen. Hij begon den expressionist Membert al snel te minachten; een Duitscher met bierbuik, waaraan cosmische visioenen ontsnapten. Hij bespotte alweer Eulenberg en Otto Zur Linde en Trakl en Sorge en Kafka... Zij brachten niets gigantisch van eigen hart, van eigen ׳geest en verbeelding. Zij lieten kil huiveren.
Toen trad diepere bezinning in, door het woord van Meester Herman van den Bergh, die zoo koel-grootsch over het metrum der verzoening kon schrijven en zoo strak nieuwe tucht schenken. Tillema werd zich bewust van verpestende Uebermenschldch-keit, geestelijke krachtpatserij en het knieknikkend snobisme van een verknecht geslacht, dat er uit groeide. Hij keerde weer terug naar de groote tragische dichters der Grieken; naar oude teederheid en droom; naar Hofmannsthal en Riele, naar Stefan George en Novalis. Hij hunkerde naar een edel zelfverlies, naar levens-objectivatie. En toch had Tillema den tegenwoordigen tijd fel-hartstochtelijk lief, en ook de talentsterke jongeren. Zij waren geen, naar reclame-gillende nouveauté's van een nieuwen handelsgeest-in-kunst, geen zwoel-hijgende blagueurs en tam-tams, geen daverende branie-virtuozen met klamme staartvinnen; geen, door negerdans gedegene-