110
maniakken, belangzuchtigen, kermende klaploopers en uitspatters, werkten hem heimelijk en openlijk tegen en sloegen hun schroefstaarten rumoerig in het slik der Van Haaftensche reputatie.
Geobsedeerde kankeraars en afhrekers zouden er altijd blijven. Maar zoo pijnigend en pervers, met zulk
grimmig gif, anderen injecteeren of besmetten?......
Machtelooze zwetsers en van-haat-vermolmde kerels, die al het waarlijk-groote, het onaantastbaar-bezielde van voorgangers telkens wreed, sadistisch poogden te verminken en te bewalmen, moesten gebrandmerkt worden met het striemend scheldproza van vroeger.
Hij had zelf, als sch etterbroek je van twintig, pas op de Universiteit, vóór en na College hymnisch mee-geraasd en liederlijk verketterd, al wat oneindig ver boven hem stond. Een dolle vernielperiode van breed-uitwiekende reputaties; een mistroostig gevecht tegen speknekken en uitgemergelden, ontwrongen aan een praalziek, toch veidord geleuter over ״neue Sachlichkeit" en ziele-registratie. De bezwerenden en be-
zworenen verwachtten openbaringen!...... Zelfs het
toén al kalende kruintje van Van Haaften. Lag alweer achter hem. Wel was dit fel-verbitterd werk, voedsel voor zijn dan koelen, dan weer bijtend-hartstochle-lijken spot geweest. In die pamflettistische verzetdagen gebruikte je je beenen om op oude-mannen-troepen te trappen en je handen met speelsche kracht, om te slaan! Hij was toen, als epateerend, pedant knulletje, doorboord van cubistische verzen en verkneveld tus-schen futuristische schilderkunst. Tillema verslond Salmon, Cendrars, Severini, en alles waarin de oor-logsrazernij nog nawoedde. Hij schreeuwde met Chirico en kreeg krampen met Miro en sprong krijgsdans met Matisse. Hij zwoer toendertijd bij Picasso, zelfs bij Ludgi Russolo en zijn stelletje ״bruiteurs". Hij viel óm van het zware lachen, toen de Dadaïsten