108
de knalpotten van Nereus, den god met zijn zilten zee-geur... Tillema hield van de oer-lenige en windsnelle goal-trappers, de dooreenwemelende voetballers in nationaal costuum, die bij overwinningsroes Gaudeamus igitur, Juvenes dum sumus uitbrulden, om huiverend van te verbleeken. Ook hield Tillema van de athleet-lobbesen, ׳die wankelende Flanors op de been hielpen, of bij relletjes, in gevaar, aan moord-dadig-beukende knuisten van politieagenten ontweldigden.
Was hij niet zelf, zoolang het hem heugde, zwemmer, Md van de T. H. O. R., de Amsterdamsche Studenten-athletiek-vereeniging?
Er kookte, bruiste en bloeide overstelpend leven onder de jongeren. Ook onder jeugdige schilders, dichters, musici, historici, schrijvers, essayisten. Er brak overal nieuw verlangen en nieuw geluksbegeeren door. Na-oorlogsche schrijvers hadden al veel oorspronkelijks geschonken, in een fel leefdriftig tempo. Soms geleek het Tillema een exorcisme. Jong Vlaanderen en jong Holland naderden elkaar onverbasterd, zooals misschien nooit tevoren, in woeste scherpte en knettering, in strengere, strammere vormen en beeldingen. Er was wezenlijk en werkelijk een jonge, hevig-bewogen, strakke, lenige, ,,nieuw-zakelijke" en toch vurige literatuur; literatuur, niet meer in den walmrook van een moffenpijp geboren; een literatuur, die niet meer teemde van verinnerlijking of veruitwen-diging en edelmoedigheid, maar onverduwbaar en zonder een letter aesthetica-theorie, geestelijk uit eigen leef-kern kwam los te splijten. Er ontbloeiden nieuwe beeldhouwkunst, nieuwe architectuur, nieuwe muziek, welke, al brachten ze de menschheid niet in gevaar, toch haar konden steunen of ontwrichten. Van allen kant brandden strijdlust en rumoer los. Ook jonge communisten en jonge socialisten, sleurbrekers uiter