107
geven aan schuimende jeugdjool van het heerlijke studentenleven.
Tillema Lubbers, in het diepst van zijn wezen Leidsch aristocraat gebleven, hield van studenten en jongeren, als makkers in leed en jolijt. Zelfs van velen uit de Leidsche bende, de z.g. aristo's. Hij hield van hen, niet uit de hoogte van zijn flodderige zesentwintig jaartjes, maar als een vitale jongere met jongeren, die soms eikaars beleenbriefjes losten, eikaars Niersteiners leegslurpten op hun kast, — nog altijd geschenken van Kneppelhoutsche brave vaders voor geslaagd Doctoraal, — maar vaker nog Shelley
of Verlaine voorlazen...... O, die smachtende, diepe
verlorenheid,...... dat zweven in de leege, donkere
oneindigheid van:
Un grand sommeil noir Tombe sur ma vie: Dormez tout Espoir, Dormez toute Envie!
Je ne vois plus rien. Je perds la mémoire Du mal et du bien... O la triste histoire!
Je suis un berceau Qu'une main balance Au creux d'un caveau... Silence, silence!
Het ״Sagesse"-gedicht, dat Uriël nog pas weer, grondeloos, geheimzinnig-droef en melodieus voor hem had laten zingen.
Tillema Lubbers hield van de vermetel-stoere en struische roeiers onder hen, Holland's Trots! Tillema hield van de blonde, sterke, antipuriteinsche Bataven,