105
De meesten blokten, hengstten, vosbeestten voor examens. Hun pret leek een flappervlag van schei-uitdagende vlamkleurtjes. Maar toch ondergingen zij diep den ernst van het heden en verschrikkingen van maatschappij en oorlog. Er bestond onder hen geen trekschuiten-ideaal meer, geen Kneppelhoutsche rhetoriek over Muzenzoon, kroeg, slokjens, pedel, ploerten, over custos en oppasser. Zij waren niet meer pronkerige tentoonstellers van geraamtekoppen, van skeletten op studeerkamers. Er ademde geen koddig-tamme psychologie meer over College-hengsten of gesjeesd worden. Er bestond geen De Genestetsche spheer van pathetischen wereld-weemoed meer. Het buurten was aftandsch; een korf van zes of negen kreeg ze nóg. Klieken en knorren slobberden vaak uit één trog. Piet Paaltjes' snik- en grimlachjes-pastei was opgesnoept door burger- en academieploerten. Aan Klikspaansche roerigheid, grove typeerdrift; aan slijmerige almanakken-moraal en dorre liefdes-verzaking hadden zij een broertje dood. Niet alleen Gerard Brom had Flanor's en Klikspaan's overspannen geusachtighedens van een quasi-aristocra-tische verbeelding, opgepraald met de sierlappen van een buitenlandsch-vooze romantiek en er grondig mee afgerekend. Ook Tillema Lubbers in zijn eentje. Maar altezaam waren zij gebleven koene, schalksche snaken, luidruchtige opvroolijkers van zichzelf en anderen, trouwe, geestige en soms heldhaftige kerels. Het hachelijkste fuiftype met al antieke haarpijn, de wraakzuchtigste student-donderaar bleek, in verder bestaan, in eigen levenskring, als mensch, een vaak roerend-braaf vaderhart, een gul broederhart, een edelaardig verloofde-hart. Och, het was een voos-klooiig kunstje, ijzervreterachtig te schimpen op die fuivende rot-bourgeois-snaken, die stuk voor stuk later, als afgestudeerden, potentieele krachten in de