104
zwabbers, gespeend van iedere zelfironie. Uriël voelde zich Galoeth-Jood, al wist hij niet waarom; vreemdeling ad interim tusschen het blonde en Noordelijke menschengeslacht. Hij haatte hun koude drukte en de verkillende beklemming eener westersche gepassioneerdheid. ..
Tillema vond de Hollandsche studiosi alleraardigste railleerende snaken, gezelligheids-broeiers, pittige jool-knapen, die zelfs muf-stinkende klabakkariums op-vroolijkten met hun geestige invallen. Hij voelde voor de opgewonden blagen, voor hun onstuimige pret en dol-jool, als deze niet ontaardden in waaghalzerij of ongure grappen. Natuurlijk waren er oer-malle kwasten, knalstudenten, boosaardige, patserige bier-zwelgers, zwabbers uit Leiden, zuiplappen uit Groningen en onooglijken uit alle oorden onder. Maar de meesten verachtten lamlendige schooierstreken en valsche wreedheid van donderaars. De meesten voelden écht respect voor een eerlijk, leiderskrachtig rector en bestuur van het Illustrisimus Senatus Studiosorum Amstelodamensium. Wortelde dieper dan in uiterlijk-nationale traditie... Tillema gunde ze hun luidruchtige, de stad in rep- en-roer-brengende rijdonder- en groen-jolen. Ondanks hun wild en onberekenbaar-woest spel, hun gebler en gezang en hun jenevertje met absinth-glans, was er geen haar boosaardige gemeenheid in te ontdekken. Kommerloos, fideel en jeugdlustig renden ze vooruit, als hun tukkerige paardjes in October, bij rondrit en kroegfestijn; als de paardjes, met hun opsierselen en wiegelende pluimen op de edel-fiere koppen. Zwabberachtig-verzonken baret-ridders en cadaver-nasleep, als opgeladen zatten in hun statie-karossen, maar ze leverden niets anders dan mise-en-scène; heerlijk-stoeisch of dom-uiterlijk vertoon, enthousiaste praal-parade of openbaring van groepsgeest.
Galoeth: Ballingschap.