103
heimzinnig-phosphoriseerende intelligentie, een dood-por toegebracht. Ja, hij kon en mocht moe zijn, onder zulke felle spanningen. Voor velen dezer studentelin-gen was hij immers de ongehonoreerde levensrepetitor, de luizig-knappe toovenaar, die met één staf alle hemelstreken raakte.
Sigarenrook wolkte als uitgerafeld sluier-blauw door het vertrek.
Uriël gooide, driftig grommend en bleek, twee hooge vensters open. Om te stikken hier, op zijn kast!
V.
Tillema Lubbers leunde tegen den raammuur en mijmerde stug en verbeten... Was dat nu dé Amster-damsche studentenwereld? Om te schateren! Een belabberd, wriemelend troepje sociëteitelingen en boenders, geteisterd door baldadig kankeren en pesten, waarin het goede vaak heelemaal wégplaste. De stille, geluksdronkene onder !hen, was misschien alleen Uriël Rozenheim, de eenzelvige, die geen stom woord beweerde. Kom kom, het grootste aantal studiosi verbloedde niet aan animisme, aan gistende nieuwlichterij, aan wereldwee en ideaal-smachting; noch verstonden zij het Van Haaftensche verminken, zijn wrange woede en nietig satansspel van wrok en afgunst. Bij de massa bereikte de hinkende eunuch Van Haaften niets, met zijn androgijnsche fluim-stem. De meesten werkten hard, ijverig, nuchter-intelligent en daasden niet tandenknarsend over kunst en leven.
Tillema Lubbers hield van de Alma Mater en van de Amsterdamsche Corps-studenten. Hij dacht heel anders over hun geestelijken habitus dan Rozenheim. Eenzelvige Uriël zag allereerst in hen, herrieschoppers, brallende dispuut-zwetsers, kwansuis bestormd door hervormingen; aanstellerige losbollen, grove