102
der van natuur dan zijn boezemvriend, de donkere Guus Merkelbach.
Uriël sympathiseerde met den Maleier, en nog sterker met den fijnen, ietwat vrouwelijken Evert Deetering. Zij spraken onbekookt vaak, maar naar Uriël's gevoel, uit het diepe, ontroerde hart. Zij onderscheidden zich vooral, in dit roezige bende'tje, door zelfbeheersching en spreek-soberte.
Freule Boogaers van Swaen, in haar kuisch-zwarte tafzijde met ijl-tullen rand, beduidde met een keurig aristocratcn-mondje, dat Van Haaften's griezelig-onhebbelijke taal hier eigenlijk niet moest worden geduld. Ook Aiuiie Buïens, met een onkuischen blik, beaamde freule's woorden gul. Zij wreef een stofje van haar onitbloote armen en keek hunkerend-scheel uit naar schalkschen Hoeyendos, om hulp. Maar die malloot was een kwartiertje her vertrokken.
Minnie loeide al haar minachtelijke gapen uit en lachte zich ״naar". Poezig, die freule toch. Fiat! Weer een gaap, nog een en nog een! Zóó alleen liet zij beseffen, hoe weinig haarzelve al dat revolutionnaire gebalk roerde en hoe gruwelijke verveling er onder broeide.
Van Haaften zweeg almachtig. De wonderbaarlijke oud-gymnasiast was een weinig magisch uitgeput; ademde asthma-achtig-kort en gejaagd in de guurte van neusoptrekkend dames-verweer en noodlots-geloof!... Hij had ook vanmiddag zoo zwaar gebaggerd door modderpoelen van onbenul en snorkend dilettantisme, onder eerste-, tweede- en derdejaars. En zonder erbarmen, stomme aperij van opgeblazen zwabbers en gloeiende mispunten als Tillema, in psychische zelfsplijting, versplinterd en mét hem, een studententype, dat zich geestelijk chirurg en super-aestheet waande, aan de kaak gesteld. Hij had ook het kleverig-humanitaire, het vooze gedweep, en de ge