98
Roland Holst en Havelaar! Er was niets, niets......
Alleen Van Schendel kón iets; dééd iets, en misschien nog enkele jongeren!... Verder alles Heilsleger-gebler, stompzinnige jankers, narcose, weemoed en machteloosheid van kotsmisselijke promotiefuivers. Hij zou wel het schavot bedienen. Want de beulsknechten bibberden zelf voor den huiverglans van het scherpe, nekklievende staal...
Toen Van Haaften, al branderiger van woord, en het scherpst wel, de luisteraars naar ,,De kreet van Abel's bloed", mystiek bedrog van God's naam-kwijlers wou hekelen, barstte er een geweldig lawaai los en klonken kreten van wilde verontwaardiging.
Jacob Andriessen rekte zich ontzet uit zijn verschrompelde kromheid en sprak ongemeen-vurig en opgewonden over het Joodsche Vraagstuk, het Zionistisch levens-ideaal van hem en eenige vrienden. Zij zwoeren trouw aan Zion! Zij verafschuwden Joodsche Reform en alle assimilatorische propaganda. Zij waren zich hun ballingschap diep bewust. Al minden zij hun land en stad van nu,... Jerusjalaïm was toch het onbe-droombaar Heilige, hun brandend en teeder heimwee. Chesterton had gelijk, en niet Rabbie Lasker, de moderneling. Een Jood bleef altijd een Jood; is nooit een Rus, een Italiaan, een Franschman, een Engelsch-man... Hij is alleen een Fransch of Duitsch of Hol-landsch onderdaan. Het kon Andriessen niet schelen, of en wat Buber hiertegen mocht inbrengen. Een Jood is een Oosterling, altijd, en dat blijft hij... De Jood is een „die tijden tart en wreed geweld na et vreest". Zoo zong Jacob Israël de Haan... Zoo was het, zoo is het, omdat hij zonnevleugels heeft, alle innerlijke gebrokenheid ten spijt...
Andriessen hijgde. Zijn assyrische lippen raakten bevochtigd. Nog een vlaag! Zij dachten allicht dat hij zou gaan spreken over de Palaestijnsche Hypotheek-