97
— De prik!
— Salve Gambrine!... galmde Branders...
Van Haaf ten stond pal; werd angstwekkend...
— Wég met rasanten Bach en weg met Beethoven!...
— II parle!...... werd weer met spot-ontzag geroepen.
— Roomtaart of schuimtaart, om 't even...... Wie
dienst wil doen als bucranion... hij ga zijn gang!... Wij niet en de spes patriae ook niet...
— Even balken heer... Lange Albatros...
— Wij hebben onze eigen oerkracht, onze eigen pneo-biomantische systemen van onderzoek en verwerping. Wij streven naar het beeldlooze beeld, naar den klankloozen klank... Wij raken verlost van het natuurlijke!... Er is razzia, oorlog... er zullen bloed-hemelen openschemeren...
— Je reinste Nietzsche...... de blaaspoepers-aan-
treder!
Van Haaften zwaaide de knookhanden, spoog giftig uit:
— Al dat geloovige monniken-gespuis kan ons de pet likken!
— Reuzelollig!... kreet een tweedejaars.
— Zweetpreek van infina forma.
— Vuns, dun zég!... Jakkig!
Minnie Halbersma's gilstem.
Lang-schrale Van Haaften kreeg pas den smaak te pakken, nu er oproerigheid ging grommen rondom. Een wreed vuurtje zoog lichtend achter zijn melkerige oogen. Vooral wou hij den piekeman Tillema pesten en overdonderen en de kleverige Weltschmerz van Uriël Rozenheim zien uitspatten. Hij bleef doordazen over literaire lorren, schilderslorren, poëzie-lorren van heden... Ersatz, Ersatz van alles!... Er was niets op velden of wegen te zien. Cultuurparia's alleen a la
7
Menschenharten.