telend en zich keerend rondom het hoofd-thema; de diepe, zinlijke vitaliteit van zijn rhythmus, de uitstortingen van zijn omvliegende tempi-vaarten en fortzato's; de ópjagingen van zijn zwaar beladen geest, de dramatische geweldigheden der instrumentatie, somber en woest, dan spottend en duivelachtig van toornende klanken-pracht; het reusachtig-dreigende en zich opstapelende van zijn harmoniseering, het uitdagende en vermetele van zijn brio, het vul-canisch laten bij één-vlammen van alle menschelijke ontroeringen en hartstochten, het bijna gedrochtelijk-reusachtige van zijn epische lyriek, de omsluit-lijn van alle onderdeelen waarmee hij een fuga-thema kon doorwerken tot een ontstellende Bach-verhevenheid, maar met al de gloeiïngen van zijn klankkleur-scha-keerings-passie, met al de menschelijke drift-woelingen van zijn toonsluitingen, — dat alles in kiem móet Mozart overzien hebben in het
99