heid tusschen hem en zijn afgod weg en dan toenadering. Mozart moet deze bijna gedrochtelijke verandering en plotselinge volgroeiing van het kind gevoeld hebben, dat stug-sterke, voor niets wijkende en superieur-bewuste. Misschien, één moment, stootte het af, voelde Mozart even een angst-scheut, een bedreiging van roem, macht en heerlijkheid. Maar dan als lichtklievings-duur van een bliksem, langer niet.
Een nieuw thema gaf hij op en Beethoven moet toen héél zijn hero-ieken aard, zijn phantastische dreigingen en noodlots-bezweringen, zijn melodische en harmonische innerlijkheid ontsloten hebben in vrij spel, zóó ontstellend en aandreigend van grandiozen zwier, magistraal en verbeelding-bestormend, dat Mozart wegsloop en een vriend in een belendende kamer met stem-verrukking, ontdaan toeriep: ״ Auf den gebt acht, der wird einmal in der Welt von sich reden machen."
97