Leest slechts zijn ״Beethovens Geist" uit Anhang III, Zweiter Band. De meest leesbare van hen allen is nog Theo von Frimmel in zijn Beethoven Stadien II: »Bausteine zu einer Lebensgeschichte des Meisters". Hoe pittig en boeiend daarin: ״Besuche Beethovens in Pressburg. Heinrich Marschner bei Beethoven in Wien". En ook innig is ״Beethovens Nachlass", hoe nuchter dit opstel ook geschreven schijnt. Het mooist is echter $ ״Der Klavierspieler Beethoven". Vgl. ook van denzelfden schrijver, Beethoven Studien I, ״Beethovens Äussere Erscheinung". Hierin kunt ge alle authentieke gegevens verkrijgen over zijn oogen, zijn haren, zijn hals, kin, mond, schedel, borst, gestalte,
kop, lippen, brillen, kleeding enz.
*
* *
Over de verhouding van Beethoven tot Haydn, Mozart, Moscheles enz., vgl. vooral ״Beethoven und Wien", van Dr. Alfr. Chr. Kalischer. Over Beet׳ hoven en Zelter vgl. van denzelfde ״Beethoven und Berlin". Ook de Beethoven-jaarboeken Herausgegeben von Th. von Frimmel, bevatten veel merkwaardig materiaal. Voor de karakter-doorgronding van den toon-dichter is o. m. belangwekkend een artikel van Prof. Dr. Fritz Volbach—Mainz: ״Beethoven und die Programmusik". Vgl. ook, tegen Beethoven en voor Goethe, de studie van Dr. Th. Frimmel. Het werk van Wilibald Nagel, ״Beethoven und seine Klaviersonaten" is meer dan een aesthetisch commentaar, dan eene grond-analyse. Als de heeren echter beginnen met zulke zinnen: ״Durch das philosophische Denken im Reiche der Töne haftet seinen Motiven ein individualisierendes Gepräge an", (״Beethoven's Symphonien (Erläuterung)") dan neem ik de vlucht. Zulk proza riekt naar opgedroogd schuim van zwaar Duitsch bier. Een Don Quichotte in de muziek-critiek, die met een geweldig heroïesch air zijn nat-geregenden parapluie draagt als een ijselijk-flikkerend slagzwaard is wel meneer Eduard
129